peren_Soepiemonster

Kijk, dit recept betekent natuurlijk mijn ondergang. Ergens in het proces word ik in mootjes gehakt. En dat terwijl ik al zo’n lange weg heb afgelegd: helemaal van de boer (waar ik daarvoor was kan ik me niet herinneren, ik was te jong), naar het sorteercentrum – waar ik allemaal nieuwe vrienden heb gemaakt, nooit zag ik zo’n diversiteit, zoveel kleuren, soorten en maten! – naar het afhaalpunt, iets saaier was dat, tot aan de keuken. Daar lag ik, op het aanrecht van dat monster. En ik was niet eens de enige…

Nooit eerder dacht ik aan mijn eigen ondergang. Het was simpelweg nog nooit in me opgekomen. Kijk, ik ben in zijn geheel niet ontevreden met mijn uiterlijk. De ene dag zie ik er wat beter uit dan de andere. Tja, wie heeft dat niet? Maar hoe langer ik daar lag, op dat aanrecht, hoe groter de twijfel. Misschien glimt mijn buitenste blad niet meer mooi? Hebben de beestjes ongemerkt al wat aan me gepeuzeld, waardoor ik beurse plekjes heb of kleine gaatjes? Ben ik te snel onder de douche vandaan gegaan en plakt er nog wat zand op mijn lendenen?

Een paar dagen eerder nog maar, was het honderdtachtig graden anders. Toen de zon scheen en het avondlicht zo mooi en zo zacht over mijn paarse vel streek. Die ene middag, dat de boer liefkozend over mijn bol aaide omdat ik zo hard gegroeid was. Of die ochtend, toen de dauw als kleine diamantjes fonkelde op mijn bordeauxrode blad. Ik hoorde de vogels fluiten. Echt, ik kreeg het op mijn heupen, kreeg zin om te dansen! Ik waande me Louis XIV dans le discothèque, met mijn glimmendrode mantel. I was shining like a diamond!

Mooi genoeg?

Wacht, daar komt ze! Soepiemonster, noemt ze zichzelf geloof ik. Ze kijkt ons aan. Zouden mijn herinneringen aan die mooie ochtend wat hernieuwde glans aan mijn blad gegeven hebben? Zou ze mij kiezen voor haar nieuwste soep? Ben ik mooi genoeg vandaag? Ze zet een pan op het aanrecht, pakt een schilmesje. Veelbelovend kijkt ze naar me… Toch? Ze pakt die jongens naast me, die harde groene peren. Waarom zou ze dat doen? Gaat ze überhaupt wel soep maken?

Soepiemonster schilt de peren, terwijl ze meezingt met de muziek. Met het kleine mesje haalt ze het groene vel van de vruchten af. Vier zijn het er. En vier keer laat ze de steeltjes aan de peer zitten. Alsof ze nog ooit terug de boom in moeten! Ik weet wel hoe die jongens er normaal bij hangen, te lummelen, net zo lang tot ze geen zin meer hebben zich vast te houden. Stakkers.

Water bij de wijn

Soepiemonster legt de geschilde peren voorzichtig in de pan en loopt de keuken uit. Harder zingend komt ze terug met een fles wijn. Half leeg is die. Ah, vandaar. Ze giet de wijn over de peren. Ik snap het wel, dronken zijn in je eentje is ook maar zo alleen. Daarna houdt ze de pan even onder de kraan. Maar net kan ik over de rand gluren: water bij de wijn, net zoveel tot de peren onderstaan.

De pan gaat op het vuur. Vier grote scheppen suiker gaan erin, een kaneelstokje, drie stukken schil van een citroen, een stukje steranijs, kruidnagel (zag ik er nu drie?), een laurierblaadje, ik hap naar adem, en ik, mag ik, een… of nee, toch niets. De deksel gaat op de pan en Soepiemonster zet het vuur laag. Nog altijd neuriënd draait ze haar rug naar me toe. Ze loopt de keuken uit, doet de deur dicht. Beteuterd kijk ik naar de pan op het lage vuurtje. De geur van glühwein prikt en brandt en ik voel tranen opkomen. Vanachter de deur gaat de muziek door, gedempt. Het voelt alsof ik onder water sta, aangeschoten en verloren.